Schooluitval, examenfraude en drugsgebruik in de pauze. Wie de berichtgeving over het mbo een beetje volgt krijgt de indruk dat het mbo er niet zo best voor staat. De MBO-raad trok daarom eind oktober aan de bel. Op hun website schreef het platform dat het Nederlandse mbo internationaal hoog aangeschreven staat. ‘Toch staat het mbo in eigen land minder goed op de kaart. Daardoor kiezen veel jongeren die juist goed in het mbo op hun plaats zouden zijn, toch voor ander vervolgonderwijs.’

De MBO-raad zoekt de verklaring voor het verschil tussen het imago van het mbo en de werkelijke prestaties van deze onderwijsvorm in de berichtgeving: ‘In de media zien we weinig terug van de goede prestaties van het mbo.’

Onderzoeker Anja Vink volgt het (v)mbo al jaren. Ze schreef onder meer de boeken ‘Witte zwanen, zwarte zwanen. De mythe van de zwarte school’ en ‘Van deze kinderen ga je houden.’ Volgens haar zijn er verschillende oorzaken die aan het negatieve imago bijdragen. “Het is een combinatie van meerdere problemen, waaronder armoede. In de vier grote steden gaat het vooral om problematiek rondom studenten met een niet-westerse achtergrond. Het clichébeeld is dan ook een ‘Randstadbeeld’.”

Ook Vink wijst op de rol van de media. “De landelijke media zitten voornamelijk in de Randstad. Zij spelen een cruciale rol bij de beeldvorming van mbo’s.”

In een Cirrus-vliegtuigje op de gang van het Zwolse Deltion College geeft Hendri Zwinselman, docent Luchtvaarttechniek, aan dat hij dit imagoprobleem maar al te goed kent. Toch is hij er vrij laconiek onder. In zijn regio heeft het mbo helemaal niet zo’n slecht imago. ”Dit komt vooral door de minder uitgesproken en meer nuchtere levenshouding van de mensen hier. Hierdoor gaan vooroordelen uit het westen van het land hier niet zo makkelijk op”, denkt hij.

“Eigenlijk zijn het grootstedelijke issues die op het mbo aan de oppervlakte komen”, bevestigt Ilias El Hadioui, socioloog en docent pedagogiek en onderwijskunde aan de Erasmus Universiteit Rotterdam. “Het grote verschil tussen de Randstad en de meer landelijke omgevingen is dat de stedelijke omgevingen in de Randstad zich kenmerken door een enorme culturele diversiteit onder de studentenpopulatie. Daarnaast is er een grote diversiteit in sociaal-economische achtergrond wat betreft hun ouders.”

Spreken over ‘hét mbo’ is dan ook lastig. In heel Nederland gaan bijna een half miljoen jongeren naar het mbo. Een kwart van hen heeft een migratieachtergrond, waarbij hun ouders of zij zelf niet in Nederland zijn geboren, zo blijkt uit cijfers van het CBS.

In Amsterdam heeft maar liefst driekwart van de jongeren op het mbo een migratieachtergrond en in Rotterdam is dat beeld niet anders. Ter vergelijking: in heel Oost-Nederland heeft slechts een vijfde van de jongeren op een mbo een migratieachtergrond.

Ook Bart van Uden herkent de imagoproblematiek. Hij is LOB-coördinator en docent op het Helicon mbo in Tilburg. ‘’Een student vertelde mij dat hij zich schaamt voor zijn opleiding. Hij vindt het een toffe opleiding, maar het niveaulabel maakt hem onzeker.’’

In de aula van het Helicon MBO zitten drie studenten die zich niet kunnen vinden in de vooroordelen van het mbo. Jur Weterings (20) zit in het derde jaar van zijn specialisatie Stad en Wijk en voelt zich niet minderwaardig, omdat hij een opleiding op het mbo volgt. Kevin van Roosmalen (19), die de specialisatie Vrije Tijd doet, sluit zich daarbij aan. ‘’Het mbo is een opleidingsvorm waar ik me juist goed bij voel.’’ Aniek Muskens (19), die ook de specialisatie Stad en Wijk doet, heeft goede ervaringen. ‘’Ik ben zelfs aangenomen op een stage voor hbo-studenten, omdat ik een mbo’er ben. Het bedrijf wilde liever een mbo’er met praktijkervaring, dan een student van het hbo met alleen theoretische kennis.’’ Toch ontkennen deze studenten niet dat er een stigma is. Muskens is weleens geweigerd in een nachtclub in Den Bosch waar ze geen mbo’ers naar binnen lieten. Dat de verschillen tussen mbo’ers en hbo’ers nog steeds zo benadrukt worden, vindt docent Van Uden belachelijk: “Neem als voorbeeld de discussie over de vraag of een mbo’er student genoemd mag worden. Waarom zou dat niet mogen?”

Zeker in een tijd waarin de economie aantrekt en sectoren als de zorg en de bouw om verzorgenden en vaklieden staan te springen, is het imago van mbo’s zorgelijk. “In plaats van te jammeren over het imago moet het onderwijs op mbo-niveau 2 anders ingericht worden”, stelt Vink ,”mbo-niveau 3 en mbo-niveau 4 studenten zijn de motor van onze economie.” Hendri Zwinselman van het Deltion College onderschrijft dit en maakt zich weinig zorgen. Volgens hem is het mbo-imago vooral regio-afhankelijk. Dat het mbo in Zwolle er zo goed op staat heeft volgens Zwinselman een duidelijke oorzaak: “De regio waarin het Deltion College ligt heeft veel maakindustrie. Er zijn veel fabrieken en veel bouwbedrijven. Goed opgeleide vakmensen zijn daardoor noodzakelijk om de regionale economie draaiende te houden.”

 

Dit artikel is gemaakt in opdracht van Trouw.